06 41 86 75 01 oda@rewildyourself.nl
Veel vogels in de buurt is goed voor je gemoed en je gezondheid

Veel vogels in de buurt is goed voor je gemoed en je gezondheid

Ben je vaker dan je lief is onrustig of in een slecht humeur? Maak je tuin, balkon of werkplek een walhalla voor vogels. Mensen die in buurten wonen met meer vogels, struiken en bomen hebben minder last van gevoelens van angst, depressie of stress ontdekten onderzoekers van de Universiteit van Exeter, Universiteit van Queensland en het Britse Trust for Ornithology.

Hoe meer vogels, hoe beter
In het onderzoek werden vooral veel voorkomende vogelsoorten waargenomen, waaronder merels, roodborstjes, koolmezen en kraaien. De studie vond geen relatie tussen de vogelsoort en de mentale gezondheid. De meeste mensen zijn niet zo goed in het benoemen van vogelsoorten. Het maakt dan ook niet uit naar welke vogels je kijkt.

Wel vonden ze een verband met het aantal vogels dat men kon zien in de wijk. Hoe meer vogels mensen in hun buurt zagen, hoe meer ontspannen ze zich voelen.

Woon- en werkplezier
Het effect van het kijken naar vogels was even groot in de stad als in meer groene omgevingen. Naar vogels kijken heeft een positief effect op je psyche ongeacht de buurt waar je woont, het gezinsinkomen, leeftijd, etniciteit en een breed scala aan andere sociaal-demografische factoren.

Onderzoeker Daniel Cox stelde in eerder onderzoek vast (Cox en Gaston 2016), dat door te kijken naar vogels mensen zich ontspannen en zich meer verbinden met de natuur. Meer vogels in stedelijke omgevingen, verhoogt ons welzijn, gezondheid en woon- en werkplezier.

Oefening: Kijk uit je raam
Werk je vandaag binnen? Neem een pauze en kijk eens rustig uit je raam naar de vogels in de lucht, in je tuin of op je balkon.

Spreekt deze informatie je aan? Neem contact op voor een training of coachtraject in de natuur.
oda@rewildyourself.nl

Bronnen:

– Daniel T. C. Cox, Danielle F. Shanahan, Hannah L. Hudson, Kate E. Plummer, Gavin M. Siriwardena, Richard A. Fuller, Karen Anderson, Steven Hancock, Kevin J. Gaston. Doses of Neighborhood Nature: The Benefits for Mental Health of Living with NatureBioScience, 2017; biw173 DOI: 10.1093/biosci/biw173
– Watching birds near your home is good for your mental health: People living in neighborhoods with more birds, shrubs and trees are less likely to suffer from depression, anxiety and stress. ScienceDaily, 25 February 2017. www.sciencedaily.com/releases/2017/02/170225102113.htm.
– Daniel Cox, Kevin J. Gaston, 2016, Urban bird feeding: Connecting people with nature, PLOS ONE, 11, (art. e0158717). (1 December 2016 http://dx.doi.org/10.1371/journal.pone.0158717)

 

Waarom ik weer ging kamperen

Waarom ik weer ging kamperen

Het moment dat ik besloot met mijn kinderen te gaan kamperen weet ik nog precies. Ik keek online naar een aflevering van Family Matters waarin verslavingsgoeroe Keith Bakker een groep ontspoorde tieners en hun ouders drie weken meeneemt naar een ranch op een afgelegen plek in de Pyreneeën, waar de kinderen samen met hun ouders in een yurt slapen. Voor een opdracht gaan de gezinnen op survival. We zien hoe de zestienjarige gameverslaafde Mike onhandig zijn tas met spullen pakt. Hij kan zelfs zijn slaapzak niet in de hoes krijgen. Zijn vader helpt hem uiteindelijk toch weer.

Gameverslaafd
Mike speelt thuis dagelijks al jarenlang acht tot veertien uur per dag het spel World of Warcraft, een spel waarin je samen met anderen tegen ‘het kwaad’ strijd. En in de tijd dat hij aan het gamen is, ontwikkelt hij zich niet. Hij doet immers geen dingen die gewone jongens wel doen, voetballen, fietsen, stoeien, kanoën, salamanders zoeken bij de kreek. Allemaal manieren waarop kinderen met hun emoties om leren gaan en grenzen leren kennen. Mike kan dat niet. Hij is een gewelddadige game-junk.

We zien hoe hij de yurt kort en klein slaat en zijn ouders uitscheldt, nadat hij van hen te horen heeft gekregen dat ze thuis het spel van de computer halen. Zijn vader, die geen ruzie wil, kijkt hulpeloos weg. Ik word plaatsvervangend kwaad en roep tegen het scherm: ‘Stel toch eens een grens man, hoe ver moet je zoon gaan voordat je regels stelt?’
‘Hier kan ik dus niet mee omgaan,’ zegt de vader buiten tegen zijn vrouw.
‘Nee,’ zegt ze, ‘dat kan jij niet. Dit is wat ik thuis elke dag meemaak.’

De kunst van het kamperen
In een flits zie ik voor me hoe mijn zoon straks op zijn schoolkamp zit te hannesen met zijn slaapzak. Dan is er geen ouder in de buurt die het wel even voor hem regelt. Met een schrok realiseer ik me dat ik een belangrijke familietraditie niet aan mijn kinderen heb door gegeven: de kunst van het kamperen. Om ze te laten beleven dat ze geen spullen, tv of games nodig hebben. Dat je niets nodig hebt om buiten te overleven en ervan te genieten, behalve voedsel, wat te drinken en een schuilplaats om warm te blijven. Dat kamperen iets is om naar uit te kijken. Het eerste wat mijn kinderen doen als ze ’s ochtends wakker worden of als ze ’s middags uit school komen is achter een apparaat gaan zitten, net als Mike. Hoe kon het dat ik iets waar ik zo van hield niet meer gedaan had sinds ik zwanger werd van mijn oudste zoon? Ik had gefaald als moeder.

Ik vond het gedoe, te veel moeite. Ik durfde niet alleen met de auto op pad. Ik had geen kampeeruitrusting, mijn man wilde niet mee. Allerlei redenen had ik om niet te gaan. In de weekenden was ik bezig met klussen in huis. In de natuur zijn, een boswandeling maken, daar was geen tijd meer voor, het was tijdverspilling. Er moest nog zoveel gebeuren. ’s Middags maakte ik op mijn werk vaak een ommetje, maar nu werkte ik door, want dat verslag moest echt af. Ik leverde vrije tijd in, slaaptijd in, en toch bleef ik te weinig tijd houden. Ik was alleen nog maar bezig om zo veel mogelijk activiteiten op een zo kort mogelijke termijn te vervullen.

Vertragen en luisteren
In de dagelijkse drukte van ons leven vergeten we vaak om te vertragen en te luisteren naar het gezang van vogels of te worden geraakt door de fel oranjerode tinten van de herfstbladeren. Dat zijn dingen waar ik aandacht voor heb als ik ergens mijn tentje opsla en ik de volgende ochtend de citronella nog kan ruiken van de kaarsen die we de avond ervoor aandeden om de muggen te verjagen. Het is natuurlijk een kwestie van perspectief. In de natuur zijn hoort niet thuis in de categorie vrije tijd, maar in de categorie gezondheid. Om gezond te blijven, te bewegen, te dagdromen, mijn zintuigen te stimuleren moest ik juist in de natuur zijn.

En waar ik me eerst helemaal leeggezogen voelde, begon ik me langzaam aan weer op te laden. Zaaide dille en kamille in de tuin. Extra tijd kreeg ik niet door te versnellen, want die tijd vulde zich meteen met andere activiteiten. Echte tijdsbesparing lukte alleen door minder te doen, niet meer. Geen ramen meer lappen, de tuin een wildernis laten worden, zo min mogelijk strijken. Ik besefte dat ik zelf het goede voorbeeld moest geven. Als ik al geen tijd heb om in de natuur door te brengen, hoe kunnen mijn kinderen dat dan wel hebben? Ook dat was een belangrijke reden om te gaan kamperen.

Familieweekend in Zeewolde
We komen als eersten aan op het natuurkampeerterrein De Dasselaar bij Zeewolde. De bossen lijken eeuwenoud door de vruchtbare zeebodem, maar ze zijn er pas vijftig jaar. Van een vriendin heb ik tentjes geleend, die we in drie seconden op kunnen zetten, langzamer leren leven kost tijd. Al snel vind ik ons kampeerweitje tussen de noten- en appelbomen.

Vrijwel het eerste wat mijn dochter doet als ze rondscharrelt in het bos, is op zoek gaan naar een bijzonder schuilplekje. Struikgewas wordt onderzocht om te kijken of het te gebruiken is. Tien minuten later komt mijn zus en haar gezin aan, voor wier verjaardag ik dit kampeerweekend met de familie heb georganiseerd. Het is haar eerste verjaardag die we zonder mijn moeder vieren.

Unplug
‘Kom jongens, apparaten uit, ga lekker voetballen,’ roep ik door het autoraampje.
‘Ik speel liever binnen, want daar zitten alle stopcontacten,’ antwoordt de oudste geïrriteerd. Ze reageren meestal chagrijnig als een apparaat uit moet, alsof je een speentje uit de mond van een baby trekt.

In mijn uppie begin ik de tenten op te zetten. Mijn zoon biedt aan te helpen als hij daarna op zijn apparaat mag. Dat is het ergerlijke van die dingen, ze kunnen zelf niets meer verzinnen om te gaan doen. Ik zeg hem dat het geen computertijd meer is en moet wel iets wegslikken als hij zich omdraait, in een stoeltje neerploft en verdere medewerking weigert. Waar is het mis gegaan? We zitten op een prachtig terrein, de andere kinderen rennen rond met takken of maken zandtaartjes van modder.

’s Nachts in het donker naar de wc
Na een uurtje als toeschouwer op een kampeerstoel te hangen, komt hij toch in beweging als zijn kleine nichtje hem vraagt mee te doen met verstoppertje. Mijn vader en broers zijn inmiddels ook gearriveerd met hun gezinnen. Mijn vader van tachtig slaapt in de vouwcaravan die nu van mijn broer is, maar waarmee hij jarenlang met mijn moeder door Europa trok, totdat ze uiteindelijk een plek bovenop een berg vonden in het zuiden van Frankrijk waar ze jaarlijks terugkeerden. Dit was wel de laatste keer in de vouwcaravan, zegt hij de volgende ochtend. Voor hem hoeft het niet meer: ’s nachts in het donker over de camping naar de wc.

Ik vraag of iemand vast hout wil sprokkelen voor de vuurkorf. Mijn zoon neemt als oudste de leiding en trekt met een schare kinderen achter zich aan het bos in, waar varens onder de bomen oplichten in gele vlakken en fluweelzachte mossen op de bomen groeien. Ze sprokkelen hout, maken jacht op een konijn. De stapel hout wordt steeds hoger.
We steken het vuur aan, de kinderen zoeken takken waar we brooddeeg omheen wikkelen en boven het vuur roosteren. We dromen weg in de avond. De rook van het vuur geeft een zacht schijnsel op de gezichten. We horen alleen nog de geluiden van de natuur. Dan zijn de broodjes klaar en we praten, zingen en vertellen elkaar grappen. Ik leg een warme fleecedeken om mijn vaders schouders. Hij zit er een beetje kouwelijk bij, maar zijn ogen hebben een zachte blik.

Waar is mijn zoon gebleven?
Van de jongenstent staat de rits nog open, maar de tent is leeg. Ik heb nog zo gezegd dat ze de tent goed moesten afsluiten, het is al een beetje klammig binnen. Bij het toiletgebouw zit hij op de bemodderde grond met zijn apparaat aan het infuus, het enige stopcontact hier op de natuurcamping. Het lijkt alsof offline zijn, de grootste angst onder jongeren is geworden. Had ik nou echt verwacht dat hij een weekend lang de elektronica links zou laten liggen?
Ik vraag hem of hij net zo wil worden als de gameverslaafde Mike. Hij kijkt even omhoog en verzucht ‘Mam, jij overdrijft altijd zo.’
‘Kom je niet gezellig warme chocolademelk drinken bij het vuur?’ dring ik aan.

Wat doet de natuur met de gameverslaafde Mike?
Hij blijft niet onberoerd voor het verbluffende berglandschap, de mistige ochtenden, de zacht hinnikende paarden met hun vriendelijke ogen. Thuis kan Mike zich op zijn kamer opsluiten en gamen maar in de wildernis kan hij niet ontsnappen. Lukt het Keith en zijn coaches om door zijn verdediging van zwijgen en terugtrekken heen te breken?

Het gebrek aan contact tussen Mike en zijn ouders is schrijnend. Mike zegt dat hij zijn ouders haat sinds ze hem op zijn twaalfde zes weken uit huis geplaatst hebben en sindsdien geen band meer met ze heeft. Hoe kan het ooit nog goed komen? Een gameverslaving schijnt nog erger te zijn dan een coke- of heroïneverslaving. Als je gamet vergeet je de vervelende werkelijkheid en beleef je vooral positieve gevoelens. Het is verleidelijk om steeds weer die roes op te zoeken. Mike blijft echt niet van het spel af als ze weer thuis zijn.

‘Ik ben gestopt met leven naast de computer,’ zegt Mike. Gamen ís zijn leven. Verder kan hij niets, geen huishouden of financiën doen, geen vrienden maken.
Als de vader van Mike zijn zoon na het vergevingsgesprek eindelijk aanraakt en Keith Bakker zegt ‘Dit is een mooi moment,’ lopen de rillingen langs mijn rug. Waarom raakt deze scene me zo? Dit is toch goedkope tv-kitsch? Er is gemonteerd, geknipt, maar de emoties lijken wel oprecht. Stiekem hou ik als afvallige van dit soort wonderen. Net zoals ik als kind zondagochtend verplicht op de eerste rij in de kerk zat en we onze schulden moesten belijden. Als je er maar eerlijk vooruit kwam, werden je zonden altijd vergeven.

Wachtend bij het kampvuur
Raakt het misschien aan mijn verlangen naar erkenning? Ook mijn ouders wisten niet hoe ze met een lastige puber om moesten gaan. Ik zette me af tegen de gezellig samenzijn-terreur en trok me zo vaak mogelijk terug op mijn kamer, net als Mike, niet om te gamen, we hadden nog geen apparaten, maar om in mijn dagboek te schrijven, te lezen, muziek te luisteren, terwijl mijn moeder beneden bleef wachten met kopjes thee, zelfgebakken zandkoekjes en een spelletje dubbel patience. Eigenlijk net zoals ik met chocolademelk bij het kampvuur op mijn zoon wachtte die niet kwam.
Misschien is dat het lot van puberouders, je verlangt naar contact met je kinderen, maar zij zoeken iets anders. Ze zijn meer bezig met hun binnenwereld dan met wat zich daarbuiten afspeelt.

De kinderen liggen in bed, ik kruip in mijn slaapzak en hou het tentdoek nog even open om naar buiten te kijken. Een konijntje schiet schichtig langs de vuurplek waar de kooltjes nog na smeulen. Een paar sterren staan helder aan de hemel, anderen beginnen op te lichten. De maan verlicht vaag de toppen van de fruitbomen. Vreemd dat deze bomen jonger zijn dan ik ben. Mijn vader doet zijn lantaarn in de vouwcaravan uit. In de tent van mijn zoon brandt nog het lichtje van zijn apparaat, de bliebjes klinken door in de stilte van de avond. Moet ik het afpakken? Nee, ik heb geen zin in ruzie. Zachtjes snurkt mijn dochter naast me en praat even in haar slaap. Hoeveel kampeertochten moet ik nog maken voordat hij zonder zijn apparaat kan?

 

Raakt dit verhaal je? Wil je meer weten over mijn coachtrajecten en natuurtrainingen?

Stuur me een mailtje dan neem ik persoonlijk contact met je op: oda@rewildyourself.nl

Zo brengen natuurgeluiden ons tot rust

Zo brengen natuurgeluiden ons tot rust

De golven van de zee, de wind die door de bladeren waait, tjirpende vogels staan alle drie in de top tien van favoriete geluiden. We wisten al dat natuurgeluiden ons tot rust brengen, onderzoekers van Brighton and Sussex Medical School hebben ontdekt hoe dat precies werkt.

In samenwerking met een audiovisueel kunstenaar liet het onderzoeksteam mensen luisteren naar geluiden die waren opgenomen in natuurlijke en kunstmatige omgevingen. De hersenactiviteit werd gemeten in een MRI-scanner, de autonome activiteit in het zenuwstelsel via veranderingen in hartslag. Dit is het eerste onderzoek met een geïntegreerde aanpak waarin vanuit een gedrags-, fysiologische en hersenverkenning gekeken wordt naar het effect van natuurlijke geluiden in vergelijking met kunstmatige geluiden op ons brein en lichaam.

Wat ontdekten de onderzoekers?

  • Natuurlijke geluiden schakelen in ons brein het vecht- en vluchtsysteem uit en zetten ons kalmeringssysteem aan waardoor we ontspannen en dat is goed voor ons lichamelijk en geestelijk welzijn.
  • Het luisteren naar natuurlijke geluiden zorgt voor een naar buiten gerichte aandacht. We vergeten ons ego even, zeg maar, waardoor we in een fijne flow terecht komen. Kunstmatige geluiden brengen juist de aandacht naar binnen, de verbindingen in het brein weerspiegelen patronen die onderzoekers waarnamen bij depressiviteit en angst.
  • Hoe meer stress mensen ervaren, hoe groter het effect van de natuurgeluiden en des te meer men tot rust komt. Mensen die al helemaal ontspannen zijn, lieten juist een lichte toename zien in stressniveau.
  • Natuurlijke geluiden zetten ons parasympathisch zenuwstelsel aan, waardoor we vertragen. Geluiden uit een kunstmatige omgeving activeren juist ons vaak overbelaste sympathisch zenuwstelsel, dat zorgt voor psychologische en fysiologische stress. (Lees hier wat beide systemen voor ons lichaam doen).
  • Het rust- en verteringszenuwstelsel werkt beter bij natuurgeluiden, waardoor het belangrijke herstelwerkzaamheden kan doen.
    Mensen scoorden veel beter op een aandachtstaak als ze luisteren naar natuurgeluiden, dan wanneer ze luisteren naar artificiële geluiden.

De hoofdauteur van het artikel Cassandra Gould van Praag zegt in een interview met Science Daily: ‘We zijn allemaal bekend met het gevoel van ontspanning en ‘uitschakeling’ dat afkomstig is van een wandeling op het platteland, en nu hebben we bewijs uit de hersenen en het lichaam dat ons helpt. Het was een spannende samenwerking tussen kunstenaars en wetenschappers, en het heeft resultaten opgeleverd die een echte impact kunnen hebben, vooral voor mensen die veel stress ervaren.’

Werk je vandaag binnen en wil je toch in een fijne flow werken?
Doe je oortjes in en luister naar de natuurgeluiden:

Genieten van vogelgeluiden bij zonsondergang

Ontspannende geluiden van de zee

Liefhebbers van natuurlijke bosgeluiden

Bronnen:
* Cassandra D. Gould van Praag, Sarah N. Garfinkel, Oliver Sparasci, Alex Mees, Andrew O. Philippides, Mark Ware, Cristina Ottaviani, Hugo D. Critchley. Mind-wandering and alterations to default mode network connectivity when listening to naturalistic versus artificial sounds. Scientific Reports, 2017; 7: 45273 nature.com/articles/srep45273
* University of Sussex. (2017, March 30). It’s true: The sound of nature helps us relax. ScienceDaily. Retrieved July 18, 2018 from www.sciencedaily.com/releases/2017/03/170330132354.htm

Spreekt deze informatie je aan?
Neem contact op voor een persoonlijk gratis kennismakingsgesprek in de natuur of een telefonische intake: 06 41 86 75 01; oda@rewildyourself.nl

Wanneer zoek je veiligheid en wanneer het avontuur?

Wanneer zoek je veiligheid en wanneer het avontuur?

Sinds mijn kinderen in de puberteit kwamen wist ik dat ik een held voor mijn kinderen moest zijn. Pubers hebben niets aan bange moeders. Ik wilde net als mijn broer een echte avonturier worden. Misschien kon ik mijn comfortzone wel een beetje oprekken door gewoon enge dingen te doen.

Vorige zomer gingen we de zee op met een bananenboot, dat is een groot geel gevaarte waarbij je je vasthoudt aan een riem en je benen tegen de zijkanten vastklemt alsof je op een paard zit. Een soort Tom Cruise met wilde blauwe ogen bestuurde de speedboot waar de banaan aanhing en probeert je er vanaf te gooien door scherpe bochten te maken. We voeren eerst rustig van de kust weg. De zee onder ons werd diep donkerblauw. Ik durf niet te zwemmen als ik niet kan staan. De speedboot versnelde, maakte een verschrikkelijk kabaal, we vlogen over het water en ik kon alleen nog maar denken ‘Ik ga dood’.

Onze dochter lag als eerste in het water. Niemand sprong erin om haar te redden. Tom Cruise voer de boot langszij en de banaan stopte naast haar. Ze weigerde er nog op te klimmen en voordat ik het wist lag ik in de zee en zwom ik achter haar aan naar de speedboot. Kijk naar het trapje, dat haal je wel, zei ik tegen mezelf. Je kunt wèl zwemmen. Het monster dat hier onder in de zee leeft, slaapt vast nog.

We bereikten het trapje, klommen aan boord en langzaam nam de paniek af. Maar door het oorverdovend gebrul van de speedboot en de harde slagen op de golven, bleef mijn dochter snikken. Tom bracht ons terug naar de boeien, waar we de bodem weer konden zien en snel naar de kant zwommen. Toen de mannen even later werden afgezet, gaven ze elkaar high fives. Met hun haren nat van het zeewater sloegen ze zichzelf op de borst. De wilde blik van Tom Cruise weerspiegelend in hun ogen.

Deze zomer wil ik gaan bergwandelen. Ik zie ons al staan bovenop een achtduizender, net als Jon Krakauer de ijle lucht in. Echt een uitdaging, want toen ik als student een testje moest invullen over hoogtevrees belde de onderzoeksleider me opgetogen op. Zulke hoge scores hadden ze nog nooit gezien. Maar de bergen roepen en ik moet gaan. Ik wil weten hoe het voelt om op een plek te zijn waar bijna niemand anders komt. Als je bergbeklimmers vraagt wat het grootste obstakel is, de kliffen of de rotsen, noemen ze psychologische barrières: Ben je mentaal er tegenop opgewassen om de berg te beklimmen?

Bergbeklimmen kan een gevaarlijke activiteit zijn, een goede conditie is een voorwaarde. De dood klimt mee. Op de Mount Everest sterft een op de vier klimmers. Krakauer bevond zich ook in de zones des doods van de Everest, waardoor hij door zuurstofgebrek in een andere bewustzijnstoestand terechtkwam en niet helder meer kon nadenken. Zijn oriëntatievermogen werkte niet goed meer. Dat zal mij niet gebeuren, ik let altijd op de stand van de zon en kan goed kaartlezen, dacht ik.

Ik denk aan de bergsportroman Mont Blanc van Edzard Mik, die ik net gelezen heb. Een vader gaat met twee puberende jongens een bergtocht maken. Een dichte mist steekt op en de vader besluit terug te gaan, ze hebben geen warme kleding meegenomen. In het verhaal onderzoekt Mik de vader-zoonrelatie en denken we na over de vraag: wanneer zoek je veiligheid en wanneer het avontuur?

In het spoor van mijn oudste broer, reizen we af naar de Zee-Alpen, hij zit met zijn gezin aan de Franse kant van de bergen, hemelsbreed hooguit vijftien kilometer verder. Een frisse dennengeur hangt in de lucht. Hier in het hart van de Italiaanse Maritieme Alpen zijn de bergen het ruigst. We pakken onze wandelstokken en rugzakken en trekken wandelschoenen aan. De stokken hebben we de dag ervoor in de bergsportwinkel gekocht. Als onervaren expeditieleider leek het me veiliger om met een extra been te wandelen. De kinderen hebben nu allemaal hun eigen rugzak mee. Op eerdere wandelingen was ik de pakezel, maar ik kan niet vijf liter water en etensspullen meesjouwen en dan ook nog in balans blijven.

We komen van negenhonderd meter hoogte, waar we in een chaletje op camping Valle Gesso bivakkeren. Nu zitten we op dertienhonderd meter, het is hier een stuk kouder. We hebben geen fleecetruien of regenjassen mee. Bezorgd kijk ik naar de lucht.

‘Wil iemand een tucje?’ vraagt mijn dochter als we een half uur onderweg zijn. ‘Eigenlijk best fijn mam, dat we onze eigen spullen bij ons hebben, nu kan ik ook uitdelen,’ roept ze opgetogen.

Slingerend pad langs de Alpenroosjes
We passeren een stenen huisje met kapotte ramen, de was hangt buiten. Even later nemen we een slingerend pad dat tussen de alpenroosjes de bergrug omhoog kruipt, waarschijnlijk een oude militaire weg uit de tijd van Mussolini, gezien de stenen muurtjes aan weerskanten. Even later een halve krans van bergen, ingesneden aan de zijden, waar andere bergkammen snel opvolgen. Dan komen we weer bij een parkeerterrein voor een grote alpenweide. De weide staat niet op de kaart. We bestuderen het informatiebord en nu blijkt dat we heel ergens anders zijn. We waren op aanraden van de wandel- en trekkinggids op weg naar Rifugio del Valasco, waar iedereen everzwijn kan eten en ik de gerookte forel, maar we moeten ons plan herzien. De dichtstbijzijnde berghut is Regina Elena. Kaartlezen in de bergen is moeilijker dan ik dacht.

Nu wordt het echt een wandelpad. We blijven de rivier omhoog volgen. Links van ons ligt de hoogste top van de Zee-Alpen, de Cima Argentara. Het massief strekt zich uit in een onderbroken lijn, met puntige toppen tot meer dan drieduizend meter hoogte. Die wandeling naar de top gaan we niet halen, die heeft de hoogste moeilijkheidsgraad.

 

Verliefd op sneeuw
Vorige week las mijn zoon Verliefd op sneeuw van de Nederlandse alpinist Ronald Naar. Het boek lag buiten op de campingtafel. De overbuurman, een grote gespierde kerel met intens blauwe ogen, kwam naar me toe en vroeg of ik het boek aan het lezen was. Hij vertelde enthousiast over de leiderschapworkshops die hij had gevolgd bij Ronald Naar. Hij vroeg zich af waarom klimmers de meeste ongelukken niet op de route naar boven kregen, maar juist op de weg naar beneden. Naar ontdekte dat klimmers zich mentaal voorbereiden op de top, als ze eenmaal boven zijn laten ze alles gaan, waardoor er geen energie meer is voor de weg naar beneden.

De campingbuurman vertelde dat hij directeur was van een groot asfaltbedrijf. Door zo naar zijn bedrijf te kijken begreep hij wat er mis ging. Het asfalteren van de wegen werd in hoog tempo gedaan met weinig kosten; de weg omhoog ging perfect. Bij de afdaling ging het mis. Als de weg eenmaal gelegd was, vergaten werknemers hun spullen op te ruimen, overgebleven materialen terug te brengen, waardoor dit veel kosten meebracht en het werk veel later werd opgeleverd. Bergbeklimmen kan ons veel leren over leiderschap en teamwork, was zijn overtuiging.

IJle lucht
We zijn op de boomgrens, de lucht wordt ijler. Op een steile klim staan mijn man en ik even uit te puffen, ademhalen gaat al moeilijker. De jongens rennen haast vooruit. We komen steeds hoger en het landschap wordt desolater, tussen de blokken graniet groeien enkel nog wat plukken gras. De diepte beneden lonkt. Ik hoef maar een stap over de rand te zetten, zo eenvoudig is het. Vlug kijk ik weer naar boven. De beelden van vallende kinderen verdwijnen weer.

Mijn jongste zoon wacht op me, juist waar de afgrond het steilst is. De misselijkheid neemt toe, onder mijn voeten de zuigende diepte. Het zijn je eigen gedachten, spreek ik mezelf streng toe en ik focus me weer op de wenkende top.
‘Wil je mijn hand vasthouden?’ vraagt hij. Als mijn klamme handen zich om zijn droge warme vingers knellen, verdwijnt de angst even snel als hij kwam.
‘De volgende keer niet zo knijpen,’ mompelt hij als we elkaars hand weer loslaten.

Magisch opent zich een oase van rust en vrede aan het eind van het ontoegankelijke dal. Verrukt kijken we naar de lompe en snelle gang van de alpenmarmot, zijn huid zo goed gecamoufleerd dat we hem eerst alleen waarnemen als hij loopt. Een groepje ligt te zonnen op een grote rots. Ze zijn best groot, bijna een halve meter lang met korte poten. We proberen dichterbij te komen, maar dan gaan ze op hun achterpoten staan.
We steken de rivier over via een wankel houten bruggetje. De route is niet duidelijk aangegeven.
‘Gaan we straks naar die sneeuw daar?’ vraagt mijn zoon.
‘Ja, natuurlijk,’ zeg ik.

De sneeuw is verder weg dan we denken en de herberg blijft onvindbaar. Gelukkig hebben we brood meegenomen. We ploffen neer langs de rivier op een paar grote stenen, waar we onze meegebrachte lunch opeten. We trekken onze schoenen en sokken uit en doen een wedstrijdje wie het langst zijn voet onder water kan houden, na zes seconden zijn mijn tenen al bevroren.

De jongens proberen de stroom te verleggen door grote keien in het water te gooien. Geconcentreerd zoeken ze op welke rotsen ze kunnen staan, totdat ze midden in de rivier staan.
‘We moeten verder, naar de herberg,’ zegt mijn man. Hij verlangt naar een dubbele espresso.
We volgen het zigzaggende pad langs de bruisende stroom naar boven en zoeken een plek om de rivier over te steken. De kabbelende rivier is veranderd in een kolkende massa. Ik durf het niet aan hem over te steken. De jongens willen door, maar zonder vertrouwen in de goede afloop wil ik niet verder. Ik zeg dat ik hier wel op hen wacht.

Het doel van bergklimmers
De meeste klimmers hebben een doel: de top. Voor mijn oudste zoon is het doel de sneeuw, voor mijn man de berghut en koffie. Hij wil grip krijgen op de berg. Ik wil vooral gewoon op de berg zijn. Een wandeling maken waar de moeilijkheidsgraad zo is dat het net iets moeilijker is dan een gewone wandeling. Als je langs een geasfalteerde weg loopt, raak je verveeld en verlies je je aandacht. Maar als de tocht te moeilijk is, word je angstig.

Tussen de rotsen bloeien paarse alpenbloemen. Ik zoek ze op in mijn gidsje, het is waarschijnlijk de paarse saxifraga, die bloeiden hier al in de ijstijd. Hoe koud was het toen? Mijn benen bungelen langs het muurtje. De zon staat al lager, we moeten terugkeren. Waar blijven ze nou? Er klinkt een schel gefluit als een alarmsignaal, het geluid weergalmt over de berghelling. Een paar marmotten slaan met hun staart op de grond en ze duiken de holen in. De lucht betrekt, het weer verandert snel zo hoog in de bergen.

Ik denk weer aan de hardnekkige mist uit het verhaal Mont Blanc, waardoor ze de richtingaanwijzers amper nog konden zien en bij elke stap wegzakten in diepe, natte sneeuw. De vader wil terug, maar het neefje wil verder, loopt door en stort voor hun ogen in een gletsjerspleet.

Een kudde bergkoeien daalt in looppas de vallei af en doet de grond trillen. Wat zou er aan de hand zijn? De bellen rinkelen nog lang na. Eindelijk klinken hun kreten over de vallei. De oudste zoon loopt moeizaam, de middelste heeft een doorweekte broek, de vader kijkt geïrriteerd. Ze zagen de herberg aan de overkant liggen, maar de koffie en de sneeuw bleven onbereikbaar omdat ze nergens de stroom konden passeren. De jongens hebben wel een poging gewaagd.

We volgen de rivier weer naar beneden. Aan de kant van het smalle pad zien we een echtpaar aandachtig in de struiken turen en iets plukken. Als we bij de plek aankomen, zijn ze alweer doorgelopen. Aan de struiken hangen blauwe bessen. Stevige blauwe bessen met een zilverachtige waas, die zo heerlijk openknappen als je erop bijt.

Wie is de kapitein deel 2

Wie is de kapitein deel 2

In rustig vaarwater peddelen we in harmonie over de rivier. Ik zit in een kajak met mijn zoon, die ik tot kapitein heb gebombardeerd en mijn dochter van negen. (Lees Wie is de kapitein, deel 1). Bij de volgende bocht verschijnen plotseling de enorme steunberen van de Pont du Gard. Tientallen kajaks varen er naar toe. Als we onder het Romeinse aquaduct door zijn gevaren komen we weer in een stroomversnelling terecht. Het smaragdgroene water verandert in een witte bruisende stroom. Voor ons zien we twee kajaks tegen de rotsen slaan. Het water klinkt nu oorverdovend.
‘Kijk waar de andere kajaks door de stroomversnelling varen. Hou links aan,’ roept mijn dochter.
Het water stroomt steeds sneller.

‘Alleen bijsturen, verder niets doen,’ zegt ze. De stroomversnelling komt heel dichtbij. We moeten er doorheen, er zijn geen uitwijkmogelijkheden.
‘Bemoei je er niet mee,’ zegt haar broer. ‘We gaan rechts erlangs.’
‘Nee, zo moet het niet,’ roept ze.
Het massieve grijze rotsblok komt steeds dichterbij. We varen er in een noodvaart tegenaan. Beduusd blijf ik even heel stil zitten. Even later knalt een groene kajak tegen onze boot aan.
‘Entschuldigung.’

Mijn dochter stapt uit de kajak, zet haar handen in haar zij en gaat te keer tegen het Duitse echtpaar.
‘Rustig maar meisje, er is niks aan de hand,’ zegt de vriendelijke bebaarde man in zijn beste Nederlands.
‘Niks aan de hand,’ schreeuwt ze. ‘Jullie varen tegen onze boot aan.’
Ik kijk het echtpaar verontschuldigend aan. Ze keren hun kajak en varen er snel vandoor.

‘Nu ga ik op het achterste bankje zitten,’ zegt ze eisend. Ze trekt aan haar broers arm, maar die wil zijn rol niet zo maar opgeven.
‘Je moest er links langs, dat zei ik toch,’ zegt ze. ‘Kijk dan hoe die andere kajaks gaan.’ En alweer moeten we toegeven dat ze gelijk heeft.
Zuchtend staat hij op en schuift een plekje door. Haar navigatievaardigheden dwingen respect af.

Uit antropologisch onderzoek naar jager-verzamelaar-samenlevingen blijkt dat beslissingen over de hele stam vrijwel altijd op basis van consensus werden gemaakt. Onze eigen natuurlijke context als mens is de savanne van Afrika.

 

Een groep oermensen die op mammoets ging jagen had hoogstwaarschijnlijk een leider. Jacht op groot wild vergt meer samenwerking, dan is het goed dat iemand de leiding neemt. Maar wanneer de oermensen later bij het kampvuur zitten te eten is dit leiderschap niet meer relevant. Leiderschap werd toegekend op basis van vaardigheden en context. Een effectief leider coördineert en faciliteert, en deelt zeker geen bevelen uit. 

 Hoe herken je natuurlijk leiderschap? Zet een paar mensen in een groepje bij elkaar en geef ze een taak. Binnen vijf minuten is duidelijk wie de leider is. Als het goed is, degene met de meeste vaardigheden voor die taak. Leiderschap is van nature een sociale functie en dient de groep. 

oda@rewildyourself.nl