06 41 86 75 01 oda@rewildyourself.nl
Wanneer zoek je veiligheid en wanneer het avontuur?

Wanneer zoek je veiligheid en wanneer het avontuur?

Sinds mijn kinderen in de puberteit kwamen wist ik dat ik een held voor mijn kinderen moest zijn. Pubers hebben niets aan bange moeders. Ik wilde net als mijn broer een echte avonturier worden. Misschien kon ik mijn comfortzone wel een beetje oprekken door gewoon enge dingen te doen.

Vorige zomer gingen we de zee op met een bananenboot, dat is een groot geel gevaarte waarbij je je vasthoudt aan een riem en je benen tegen de zijkanten vastklemt alsof je op een paard zit. Een soort Tom Cruise met wilde blauwe ogen bestuurde de speedboot waar de banaan aanhing en probeert je er vanaf te gooien door scherpe bochten te maken. We voeren eerst rustig van de kust weg. De zee onder ons werd diep donkerblauw. Ik durf niet te zwemmen als ik niet kan staan. De speedboot versnelde, maakte een verschrikkelijk kabaal, we vlogen over het water en ik kon alleen nog maar denken ‘Ik ga dood’.

Onze dochter lag als eerste in het water. Niemand sprong erin om haar te redden. Tom Cruise voer de boot langszij en de banaan stopte naast haar. Ze weigerde er nog op te klimmen en voordat ik het wist lag ik in de zee en zwom ik achter haar aan naar de speedboot. Kijk naar het trapje, dat haal je wel, zei ik tegen mezelf. Je kunt wèl zwemmen. Het monster dat hier onder in de zee leeft, slaapt vast nog.

We bereikten het trapje, klommen aan boord en langzaam nam de paniek af. Maar door het oorverdovend gebrul van de speedboot en de harde slagen op de golven, bleef mijn dochter snikken. Tom bracht ons terug naar de boeien, waar we de bodem weer konden zien en snel naar de kant zwommen. Toen de mannen even later werden afgezet, gaven ze elkaar high fives. Met hun haren nat van het zeewater sloegen ze zichzelf op de borst. De wilde blik van Tom Cruise weerspiegelend in hun ogen.

Deze zomer wil ik gaan bergwandelen. Ik zie ons al staan bovenop een achtduizender, net als Jon Krakauer de ijle lucht in. Echt een uitdaging, want toen ik als student een testje moest invullen over hoogtevrees belde de onderzoeksleider me opgetogen op. Zulke hoge scores hadden ze nog nooit gezien. Maar de bergen roepen en ik moet gaan. Ik wil weten hoe het voelt om op een plek te zijn waar bijna niemand anders komt. Als je bergbeklimmers vraagt wat het grootste obstakel is, de kliffen of de rotsen, noemen ze psychologische barrières: Ben je mentaal er tegenop opgewassen om de berg te beklimmen?

Bergbeklimmen kan een gevaarlijke activiteit zijn, een goede conditie is een voorwaarde. De dood klimt mee. Op de Mount Everest sterft een op de vier klimmers. Krakauer bevond zich ook in de zones des doods van de Everest, waardoor hij door zuurstofgebrek in een andere bewustzijnstoestand terechtkwam en niet helder meer kon nadenken. Zijn oriëntatievermogen werkte niet goed meer. Dat zal mij niet gebeuren, ik let altijd op de stand van de zon en kan goed kaartlezen, dacht ik.

Ik denk aan de bergsportroman Mont Blanc van Edzard Mik, die ik net gelezen heb. Een vader gaat met twee puberende jongens een bergtocht maken. Een dichte mist steekt op en de vader besluit terug te gaan, ze hebben geen warme kleding meegenomen. In het verhaal onderzoekt Mik de vader-zoonrelatie en denken we na over de vraag: wanneer zoek je veiligheid en wanneer het avontuur?

In het spoor van mijn oudste broer, reizen we af naar de Zee-Alpen, hij zit met zijn gezin aan de Franse kant van de bergen, hemelsbreed hooguit vijftien kilometer verder. Een frisse dennengeur hangt in de lucht. Hier in het hart van de Italiaanse Maritieme Alpen zijn de bergen het ruigst. We pakken onze wandelstokken en rugzakken en trekken wandelschoenen aan. De stokken hebben we de dag ervoor in de bergsportwinkel gekocht. Als onervaren expeditieleider leek het me veiliger om met een extra been te wandelen. De kinderen hebben nu allemaal hun eigen rugzak mee. Op eerdere wandelingen was ik de pakezel, maar ik kan niet vijf liter water en etensspullen meesjouwen en dan ook nog in balans blijven.

We komen van negenhonderd meter hoogte, waar we in een chaletje op camping Valle Gesso bivakkeren. Nu zitten we op dertienhonderd meter, het is hier een stuk kouder. We hebben geen fleecetruien of regenjassen mee. Bezorgd kijk ik naar de lucht.

‘Wil iemand een tucje?’ vraagt mijn dochter als we een half uur onderweg zijn. ‘Eigenlijk best fijn mam, dat we onze eigen spullen bij ons hebben, nu kan ik ook uitdelen,’ roept ze opgetogen.

Slingerend pad langs de Alpenroosjes
We passeren een stenen huisje met kapotte ramen, de was hangt buiten. Even later nemen we een slingerend pad dat tussen de alpenroosjes de bergrug omhoog kruipt, waarschijnlijk een oude militaire weg uit de tijd van Mussolini, gezien de stenen muurtjes aan weerskanten. Even later een halve krans van bergen, ingesneden aan de zijden, waar andere bergkammen snel opvolgen. Dan komen we weer bij een parkeerterrein voor een grote alpenweide. De weide staat niet op de kaart. We bestuderen het informatiebord en nu blijkt dat we heel ergens anders zijn. We waren op aanraden van de wandel- en trekkinggids op weg naar Rifugio del Valasco, waar iedereen everzwijn kan eten en ik de gerookte forel, maar we moeten ons plan herzien. De dichtstbijzijnde berghut is Regina Elena. Kaartlezen in de bergen is moeilijker dan ik dacht.

Nu wordt het echt een wandelpad. We blijven de rivier omhoog volgen. Links van ons ligt de hoogste top van de Zee-Alpen, de Cima Argentara. Het massief strekt zich uit in een onderbroken lijn, met puntige toppen tot meer dan drieduizend meter hoogte. Die wandeling naar de top gaan we niet halen, die heeft de hoogste moeilijkheidsgraad.

 

Verliefd op sneeuw
Vorige week las mijn zoon Verliefd op sneeuw van de Nederlandse alpinist Ronald Naar. Het boek lag buiten op de campingtafel. De overbuurman, een grote gespierde kerel met intens blauwe ogen, kwam naar me toe en vroeg of ik het boek aan het lezen was. Hij vertelde enthousiast over de leiderschapworkshops die hij had gevolgd bij Ronald Naar. Hij vroeg zich af waarom klimmers de meeste ongelukken niet op de route naar boven kregen, maar juist op de weg naar beneden. Naar ontdekte dat klimmers zich mentaal voorbereiden op de top, als ze eenmaal boven zijn laten ze alles gaan, waardoor er geen energie meer is voor de weg naar beneden.

De campingbuurman vertelde dat hij directeur was van een groot asfaltbedrijf. Door zo naar zijn bedrijf te kijken begreep hij wat er mis ging. Het asfalteren van de wegen werd in hoog tempo gedaan met weinig kosten; de weg omhoog ging perfect. Bij de afdaling ging het mis. Als de weg eenmaal gelegd was, vergaten werknemers hun spullen op te ruimen, overgebleven materialen terug te brengen, waardoor dit veel kosten meebracht en het werk veel later werd opgeleverd. Bergbeklimmen kan ons veel leren over leiderschap en teamwork, was zijn overtuiging.

IJle lucht
We zijn op de boomgrens, de lucht wordt ijler. Op een steile klim staan mijn man en ik even uit te puffen, ademhalen gaat al moeilijker. De jongens rennen haast vooruit. We komen steeds hoger en het landschap wordt desolater, tussen de blokken graniet groeien enkel nog wat plukken gras. De diepte beneden lonkt. Ik hoef maar een stap over de rand te zetten, zo eenvoudig is het. Vlug kijk ik weer naar boven. De beelden van vallende kinderen verdwijnen weer.

Mijn jongste zoon wacht op me, juist waar de afgrond het steilst is. De misselijkheid neemt toe, onder mijn voeten de zuigende diepte. Het zijn je eigen gedachten, spreek ik mezelf streng toe en ik focus me weer op de wenkende top.
‘Wil je mijn hand vasthouden?’ vraagt hij. Als mijn klamme handen zich om zijn droge warme vingers knellen, verdwijnt de angst even snel als hij kwam.
‘De volgende keer niet zo knijpen,’ mompelt hij als we elkaars hand weer loslaten.

Magisch opent zich een oase van rust en vrede aan het eind van het ontoegankelijke dal. Verrukt kijken we naar de lompe en snelle gang van de alpenmarmot, zijn huid zo goed gecamoufleerd dat we hem eerst alleen waarnemen als hij loopt. Een groepje ligt te zonnen op een grote rots. Ze zijn best groot, bijna een halve meter lang met korte poten. We proberen dichterbij te komen, maar dan gaan ze op hun achterpoten staan.
We steken de rivier over via een wankel houten bruggetje. De route is niet duidelijk aangegeven.
‘Gaan we straks naar die sneeuw daar?’ vraagt mijn zoon.
‘Ja, natuurlijk,’ zeg ik.

De sneeuw is verder weg dan we denken en de herberg blijft onvindbaar. Gelukkig hebben we brood meegenomen. We ploffen neer langs de rivier op een paar grote stenen, waar we onze meegebrachte lunch opeten. We trekken onze schoenen en sokken uit en doen een wedstrijdje wie het langst zijn voet onder water kan houden, na zes seconden zijn mijn tenen al bevroren.

De jongens proberen de stroom te verleggen door grote keien in het water te gooien. Geconcentreerd zoeken ze op welke rotsen ze kunnen staan, totdat ze midden in de rivier staan.
‘We moeten verder, naar de herberg,’ zegt mijn man. Hij verlangt naar een dubbele espresso.
We volgen het zigzaggende pad langs de bruisende stroom naar boven en zoeken een plek om de rivier over te steken. De kabbelende rivier is veranderd in een kolkende massa. Ik durf het niet aan hem over te steken. De jongens willen door, maar zonder vertrouwen in de goede afloop wil ik niet verder. Ik zeg dat ik hier wel op hen wacht.

Het doel van bergklimmers
De meeste klimmers hebben een doel: de top. Voor mijn oudste zoon is het doel de sneeuw, voor mijn man de berghut en koffie. Hij wil grip krijgen op de berg. Ik wil vooral gewoon op de berg zijn. Een wandeling maken waar de moeilijkheidsgraad zo is dat het net iets moeilijker is dan een gewone wandeling. Als je langs een geasfalteerde weg loopt, raak je verveeld en verlies je je aandacht. Maar als de tocht te moeilijk is, word je angstig.

Tussen de rotsen bloeien paarse alpenbloemen. Ik zoek ze op in mijn gidsje, het is waarschijnlijk de paarse saxifraga, die bloeiden hier al in de ijstijd. Hoe koud was het toen? Mijn benen bungelen langs het muurtje. De zon staat al lager, we moeten terugkeren. Waar blijven ze nou? Er klinkt een schel gefluit als een alarmsignaal, het geluid weergalmt over de berghelling. Een paar marmotten slaan met hun staart op de grond en ze duiken de holen in. De lucht betrekt, het weer verandert snel zo hoog in de bergen.

Ik denk weer aan de hardnekkige mist uit het verhaal Mont Blanc, waardoor ze de richtingaanwijzers amper nog konden zien en bij elke stap wegzakten in diepe, natte sneeuw. De vader wil terug, maar het neefje wil verder, loopt door en stort voor hun ogen in een gletsjerspleet.

Een kudde bergkoeien daalt in looppas de vallei af en doet de grond trillen. Wat zou er aan de hand zijn? De bellen rinkelen nog lang na. Eindelijk klinken hun kreten over de vallei. De oudste zoon loopt moeizaam, de middelste heeft een doorweekte broek, de vader kijkt geïrriteerd. Ze zagen de herberg aan de overkant liggen, maar de koffie en de sneeuw bleven onbereikbaar omdat ze nergens de stroom konden passeren. De jongens hebben wel een poging gewaagd.

We volgen de rivier weer naar beneden. Aan de kant van het smalle pad zien we een echtpaar aandachtig in de struiken turen en iets plukken. Als we bij de plek aankomen, zijn ze alweer doorgelopen. Aan de struiken hangen blauwe bessen. Stevige blauwe bessen met een zilverachtige waas, die zo heerlijk openknappen als je erop bijt.

Wie is de kapitein deel 2

Wie is de kapitein deel 2

In rustig vaarwater peddelen we in harmonie over de rivier. Ik zit in een kajak met mijn zoon, die ik tot kapitein heb gebombardeerd en mijn dochter van negen. (Lees Wie is de kapitein, deel 1). Bij de volgende bocht verschijnen plotseling de enorme steunberen van de Pont du Gard. Tientallen kajaks varen er naar toe. Als we onder het Romeinse aquaduct door zijn gevaren komen we weer in een stroomversnelling terecht. Het smaragdgroene water verandert in een witte bruisende stroom. Voor ons zien we twee kajaks tegen de rotsen slaan. Het water klinkt nu oorverdovend.
‘Kijk waar de andere kajaks door de stroomversnelling varen. Hou links aan,’ roept mijn dochter.
Het water stroomt steeds sneller.

‘Alleen bijsturen, verder niets doen,’ zegt ze. De stroomversnelling komt heel dichtbij. We moeten er doorheen, er zijn geen uitwijkmogelijkheden.
‘Bemoei je er niet mee,’ zegt haar broer. ‘We gaan rechts erlangs.’
‘Nee, zo moet het niet,’ roept ze.
Het massieve grijze rotsblok komt steeds dichterbij. We varen er in een noodvaart tegenaan. Beduusd blijf ik even heel stil zitten. Even later knalt een groene kajak tegen onze boot aan.
‘Entschuldigung.’

Mijn dochter stapt uit de kajak, zet haar handen in haar zij en gaat te keer tegen het Duitse echtpaar.
‘Rustig maar meisje, er is niks aan de hand,’ zegt de vriendelijke bebaarde man in zijn beste Nederlands.
‘Niks aan de hand,’ schreeuwt ze. ‘Jullie varen tegen onze boot aan.’
Ik kijk het echtpaar verontschuldigend aan. Ze keren hun kajak en varen er snel vandoor.

‘Nu ga ik op het achterste bankje zitten,’ zegt ze eisend. Ze trekt aan haar broers arm, maar die wil zijn rol niet zo maar opgeven.
‘Je moest er links langs, dat zei ik toch,’ zegt ze. ‘Kijk dan hoe die andere kajaks gaan.’ En alweer moeten we toegeven dat ze gelijk heeft.
Zuchtend staat hij op en schuift een plekje door. Haar navigatievaardigheden dwingen respect af.

Uit antropologisch onderzoek naar jager-verzamelaar-samenlevingen blijkt dat beslissingen over de hele stam vrijwel altijd op basis van consensus werden gemaakt. Onze eigen natuurlijke context als mens is de savanne van Afrika.

 

Een groep oermensen die op mammoets ging jagen had hoogstwaarschijnlijk een leider. Jacht op groot wild vergt meer samenwerking, dan is het goed dat iemand de leiding neemt. Maar wanneer de oermensen later bij het kampvuur zitten te eten is dit leiderschap niet meer relevant. Leiderschap werd toegekend op basis van vaardigheden en context. Een effectief leider coördineert en faciliteert, en deelt zeker geen bevelen uit. 

 Hoe herken je natuurlijk leiderschap? Zet een paar mensen in een groepje bij elkaar en geef ze een taak. Binnen vijf minuten is duidelijk wie de leider is. Als het goed is, degene met de meeste vaardigheden voor die taak. Leiderschap is van nature een sociale functie en dient de groep. 

oda@rewildyourself.nl

 

Wie is de kapitein?

Wie is de kapitein?

De knaloranje kajak wankelt als ik instap. Straks slaat het bootje om en smakt mijn hoofd tegen de rotsen. Rustig ademhalen. Zit mijn reddingsvest goed vast? Een frisse bries waait over het water, het is nog vroeg in de ochtend. De rivier ligt in een diepe kloof, aan weerskanten rijst het gebergte hoog op. Op de folders van de Pont du Gard zagen de kajaks er heel verleidelijk uit.
‘Jij bent de kapitein,’ zeg ik tegen mijn puberzoon en ga op het middelste bankje zitten. Hij knikt en neemt opgetogen op het achterste bankje plaats.
‘Wat ben ik dan?’ vraagt mijn negenjarige dochter.
‘De scheepsjongen, uit De scheepsjongens van Bontekoe.’

Ze knikt tevreden en gaat met haar kleine peddel voorin zitten.
‘O ja, de jongen Padde, die op het schip in slaap is gevallen en per ongeluk meevaart. Wat moet ik doen?’
‘De kapitein is de baas en zegt aan welke kant we moeten peddelen. Wij doen wat de kapitein zegt.’
‘Nee, ik wil zelf beslissen waar ik heenga,’ zegt ze en tuit haar lippen.
‘Aan boord van een schip is er één kapitein,’ zeg ik.
‘Dit is een kajak, en ik wil ook de kapitein zijn.’
‘Luister, we zijn nu een team. Als je samen in een boot zit, kan er maar een de kapitein zijn. Die is verantwoordelijk en neemt de beslissingen.’

Ze staart een poosje voor zich uit en volgt dan tegenstribbelend of niet de orders van de kapitein op. Nu eens rechts, dan weer links peddelend glijden we door het water, het heeft een opvallend groenblauwe kleur. Een modderachtige geur stijgt op. De kalkstenen bergen lichten op sommige plekken helwit op in de zon. Op andere plaatsen zijn de rotswanden dichtbegroeid met struiken. De schouders van de kapitein lijken iets breder, hij klemt zijn zonnebril vaster op zijn neus, steekt zijn kin iets meer naar voren.

Veel te snel naderen we de eerste stroomversnelling. Is dit moeilijkheidsklasse één? Het ziet er heftig uit. Zie je wel, dit is niks voor mij. Kan dat bange ego zijn mond even houden? Op welk punt moeten we erdoor? We varen precies op een plek af waar het water heftig tekeer gaat. Daar zit een rots. Hoe weet ik dat? Intuïtie? Als puber heb ik veel gezeild. Ik klem mijn lippen op elkaar, nee niet mee bemoeien.

We knallen tegen de rots op, maken een looping met de kajak, mijn hart klopt in mijn keel.
‘Mam, we moeten omdraaien,’ roept de kapitein.
‘Ja, goed.’
‘Wat moeten we doen?’ brult hij nu.
Ik kijk achterom, we varen in volle snelheid op een omgevallen boom af.

‘Peddels rechtop in het water,’ roept zijn zusje. ‘Aan de linkerkant. Nu!’
Als bij toverslag draait de kajak een halve cirkel, een golf water slaat over de boot heen. Hij blijft overeind en we varen keurig om de boomstam heen. Hoe wist ze dat? Eindelijk komen we in rustiger vaarwater terecht. Een gevoel van geluk stroomt door me heen.
‘Goed werk team,’ roep ik.
De rivier kronkelt verder, we varen onder laaghangende bomen door. Tegen de rots kleven twee bergbeklimmers. Het water klotst zachtjes tegen de boot, de zon verwarmt mijn gezicht. Met trage bewegingen slaan we de peddels in het water. Langzaam kom ik tot rust. (wordt vervolgd)

Wat is jouw natuurlijke plek in een team? Stap deze zomer met je familie of vrienden in een kajak en ervaar wat er gebeurt.

 

Wat onthult je moestuin over je werkritme?

Wat onthult je moestuin over je werkritme?

We struinen door een moestuin zo groot als een voetbalveld. We proeven van de onbespoten aardbeien, de zoete komkommer. Ik herken het loof van de bieten, de wortels en prei. We staan stil bij het overwoekerde kapucijnenveld. Op de zomerbijeenkomst van de vaksectie natuur van het NOBCO volg ik de workshop coachen met een moestuintje.

Ieder krijgt een rij aangewezen om onkruid te wieden. In stilte. De een moppert dat hier wel erg veel onkruid staat. De ander wil kussentjes halen om op te zitten. M. gaat als een razende onkruid uit de grond trekken.

‘Waarom ga je zo snel?’ vraagt de moestuincoach.
‘Mijn rijtje moet af,’ zegt M. en veegt het zweet van haar voorhoofd, een verbeten trek om haar mond.
‘Van wie dan? Ik heb alleen gevraagd of jullie in stilte onkruid willen wieden.’

M.’s handen vallen stil. ‘Mmm, ja, zo werk ik altijd.’
‘Wil je ook zo werken?’ vraagt de coach. M. zucht, ploft neer en gaat languit in het gras liggen.
‘Het liefst lig ik hier, starend naar de stapelwolken. Ik hou ervan om te kijken of ik er dieren of andere vormen in zie. Kijk hoe mooi de lucht is.’
‘Kun je jezelf dat toestaan?’ vraagt de coach.
‘Eh nee,’ zegt M. Ze springt overeind en gaat verder met wieden. Wel in een rustiger tempo en met een zachtere trek om haar mond.

Wat is jouw werkritme?
Ga vandaag eens een half uurtje tuinieren. Kun je genieten van het gevoel van je handen in de aarde, het onderscheiden van het onkruid en de plantjes, de geuren van de tuin en het contact met de natuur? Of zie je vooral wat er allemaal nog moet gebeuren?